22.
O, ware althands het voorrecht u bedeeld,
Den blos te zien, die tintelt op uw wangen,
't Bezielend licht, dat in uw oogjens speelt,
Gij zoudt verrukt aan eigen schoonheid hangen!
Geen kristallijn weêrkaatst uw englenbeeld,
Geen glas kan heel een Paradijs omvangen!
Uw spiegel is de blaauwe hemeltrans,
't Gestarnte-alleen hergeeft uw tooverglans!’