37.
Bezweeringen, godloze lasteringen,
Door heksen uit Thessaliën bedacht,
Die starren in heur hemelloop bedwingen,
En schimmen dagen uit den kerkernacht,
Zij kent ze, zij beproeft ze, en trekt heur kringen; -
Vergeefs! de Hel blijft spraakloos bij heur klacht.
Zoo heeft haar dan de Tooverkunst bedrogen!
Welaan! beproev' de Schoonheid haar vermogen!