62.
De klepper treurt: het gras, zijn lievlingsspijz',
Wekt nu niet meer als vroeger zijn verlangen:
Hij laat den nek, dien hij op fiere wijz'
Te schudden placht, met al zijn manen hangen.
Hij denkt niet meer aan d' eens gewonnen prijs,
Zijn eerzucht is door moedloosheid vervangen.
Hij smaadt nu als verachtelijke pronk
Al 't sieraad, dat zoo menig strijd hem schonk.