51.
‘Laat, Veldheer! al uw stoute plannen varen!
Het tooverwoud bukt voor eene ándre hand.
Reeds danst het schip gevleugeld op de baren,
Het strijkt zijn gouden zeilen reeds aan 't strand.
De Held, dien wij verlangend tegenstaren,
Ontworstelde aan de boeien zijner schand',
Hij komt, hij vliegt - ik zie den morgen lichten,
Als Salem valt en al uw haatren zwichten!’