100.
Zóó valt de Held! Voor haar-alleen die traan,
Voor haar die klacht, haar, lieflijkste aller englen!
Zij staamlen: neen! de spraak is hun vergaan,
Zij kunnen slechts gebroken zuchten menglen.
Nog zien ze elkaâr met teedre blikken aan,
Nog trachten zij hunne armen saam' te strenglen:
Zij sterven, maar, ook in den dood gepaard,
Voert de eigen vlucht hun zielen hemelwaart.