103.
En nu, alsof de Furiën hem jagen,
Beukt hij zijns vijands nek en hersenpan.
De helm (een Godsgeschenk!) doorstaat die vlagen,
Maar al 't gebeent' des Ridders dreunt er van.
Doch ziet! nu wordt Adrast een wond geslagen,
Als geen Apollo-zelfs genezen kan.
Één houw, en - als een breedgetakte ceder
Ploft daar die reusgestalte zielloos neder!