2.
Bij de andren, die kloekmoedig hem weêrstaan,
Mengt Tankred zich om meê den kans te wagen.
Daar grijnst de reus hem met verachting aan,
Want hij herkent zijn wapendosch, zijn slagen:
't Is hij, die hem op de oude worstelbaan
Hervinden zou, maar nimmer op kwam dagen.
Hij krijscht hem toe: ‘Zoo denkt ge nog aan mij,
Heer Tankred? Is de week der rust voorbij?