35.
De vloed was breed: de witte baren stegen....
In 't midden wielt een vreesselijke stroom;
Die sleept mij meê langs wilde dwarrelwegen:
Ik duizel rond als in een bangen droom;
'k Verlies u. Maar de vloed is u genegen,
De wind den vloed: die wiegt u naar den zoom,
En schuift u neêr op zachte lotusblaâren;
Terwijl ik hijgend worstel uit de baren.