16.
Nu volgen zij, die, naar den dageraad
Gekeerd, de kust van Aziën bewonen;
Hen leidt Aront, bekend door rang en staat,
Maar niet door moed en groene lauwerkroonen.
Nooit drupte hem het krijgszweet van 't gelaat,
Nooit wekten hem trompet- en cymbeltonen:
Ontijdig heeft hem de eerzucht, uit den schoot
Der rust gelokt naar 't strijdperk van den Dood.