70.
En Godfried hoort en ziet al wat er broedt,
Maar zoekt het niet geweldig te beletten.
Neen, maar met al dien vroomen Christenmoed,
Die stroomen stuit en bergen kan verzetten,
Valt hij den God van al wat leeft te voet,
Die Zijn getrouwe ontvoert aan 's Boozen netten.
Hij heft het hart tot Gods genadethroon,
En smeekt aldus op eerbiedvollen toon: