46.
De rook en smook, de vuurfonteinen, gaan
Al dwarlend naar de hooge hemeldaken.
De wind steekt op, en blaast de vlammen aan,
Die, menglende, als één vreeslijke oven blaken.
De Franken zien die laaie hel, en slaan
De hand aan 't zwaard; maar met een dondrend kraken
Stort middlerwijl hun torenbouw inéén.
Zoo dwarrlen jaren vlijts in asch daarheen!