70.
In 't midden der “Gelukkige Archipel”
Heeft zij een vriendlijk eilandtje' uitgekozen.
Daar ligt een berg: hij wordt op heur bevel
Van onderen met kille sneeuw omvrozen;
Maar 't wintere aan zijn voeten nog zoo fel,
Hoog op zijn kruin staan eeuwge lenterozen:
Aan d' oever van een spieglend watervlak
Heft daar een prachtpaleis het koepeldak.