86.
‘O Tankred! gij, aan 't geen gij waart weleer
Zoo ongelijk, hoe kondt ge u-zelv' ontzinken?
Wat nevelfloers zonk op uwe oogen neêr,
Zoo dicht, dat gij Gods heillicht niet ziet blinken?
Uw rampspoed is een Bode van den Heer:
Ziet gij hem niet? hoort gij zijn stem niet klinken?
De Hemel-zelf roept u naar 't Hemelpad,
Dat ge eens verkoost en - al te dwaas vergat!