70.
Gelijk somtijds bij 't grillig wolkgezweef
Kasteelen in de hooge lucht verschijnen,
Die straks de wind gedaantloos henendreef;
Gelijk de wondren van een droom verdwijnen:
Zóó is 't paleis versmolten. Wat er bleef,
Is sneeuw en ijs, zijn naakte rotswoestijnen.
Armida stijgt heur wagen in, en vaart
Op de oude wijz' in stormrid hemelwaart.