67.
Een beekjen ruischt, der bergen schoot ontsproten:
't Is derwaards nu, dat hij zijn schreden richt.
Met water, in zijn ijzren helm gegoten,
IJlt hij terug tot zijn gewijden plicht.
Hoe beeft hij, als hij 't voorhoofd zal ontblooten
Van haar, die, onbekend nog, vóór hem ligt.
O aanblik! O herkenning! .... Onbewogen
En spraakloos staart hij met verstarrende oogen.