74.
Want dáár ontspringt, met murmelend geschal,
Een bron, zoo frisch, dat ze elk van dorst doet smachten.
Toch schuilt er in heur klaren waterval
Geheim vergif van wonderbare krachten.
Één druppel van dat levendig kristal
Bedwelmt de ziel, benevelt de gedachten:
De drinker barst in zinloos lachen uit,
Tot hem de dood al schaatrend de oogen sluit.