88.
Versmaadt gij dwaas het heilig onderpand
Des vredes, door den Hemel u geschonken?
Rampzalige! wat blaast gij in den brand
Der driften, die u zengen met haar vonken?
Reeds wankelt gij aan 's afgronds smallen rand,
En ziet hem niet, van dolle wanhoop dronken!
O zie hem! en ontscheur u aan een rouw,
Die u een dubblen dood berokknen zou!’ -