76.
Doorboor deez' borst! doorwroet haar tot op 't hart!
Dat in mijn bloed het grimmig staal zich bade!
Maar neen! de dood verzwolg misschien mijn smart:
Dat waar' genâ: en - deedt gij ooit genade?
Zoo leve ik dan! ik, die een toonbeeld werd
Van jammer; ik, van God en Mensch versmade!
Een leven slechts, van eeuwgen vloek vervuld,
Is strafs genoeg voor mijne onmeetbre schuld.