46.
De Saraceen terwijl geeft rustloos acht:
Zijn wachters op den hoogen muur, verkennen
Het Christenkamp, heel d' omtrek, dag en nacht;
Zij zien naar 't woud de leêge wagens rennen,
En keeren met een hemelhooge vracht
Van beukgeboomt' en cederen en dennen;
Zij zien gevaarten rijzen in 't verschiet,
Maar 't oog ontdekt heur samenstelling niet.