38.
Een moordspelonk, waar alles dreunt en kraakt,
Wordt nu het Huis, weleer het Huis des Heeren.
Vergelding Gods! hoe trager Gij genaakt,
Te dieper ook zult Gij de schuld verneêren.
Gij duldt het, dat de wreedheid harten blaakt,
Die nu voor 't eerst de menschlijkheid verleeren:
De Heilge Plaats, ontheiligd door 't gebroed
Der Heidnen, moet gewassen in hun bloed. -