49.
Ik zeg u meer: daar woonde een menschlijk leven
In elken stam, een geest die voelde en sprak.
'k Ervoer het zelf! 'k Hoor nog die klaagstem beven,
Waarbij mijn hart van diepen weedom brak.
Als waar' 't geboomte uit vleesch en been geweven,
Bloedde elke schors als haar mijn zwaard doorstak.
Neen! ik beken 't, ik voel de kracht bezweken,
Één tronk te ontwortlen of één twijg te breken!’ -