45.
Maar Palameed, die naar de vestingtinnen
Omhoog streeft met onwankelbaren voet,
Snort, juist als hij de hoogste sport zal winnen,
Nog eens haar pijl, de zevende, in 't gemoet.
Hij dringt hem diep in d' oogkas, snijdt van binnen
Den zenuw door, en dringt zóó, rood van bloed,
Den nek weêr uit. Het rilt door al zijn leden,
En de arme stort verplettrend naar beneden.