58.
“O gij, wien keuze of toeval herwaards leidt,
Gij wandelaar, die moed hebt en vertrouwen!
In Oost noch West zaagt gij een heerlijkheid
Zoo groot als u dit eiland doet aanschouwen.
Dies kom en zie!” De Ridder is bereid
Te steevnen naar die wondere landouwen.
Het bootjen kan zijn trouwen knapenstoet
Niet bergen - hij doorroeit alléén den vloed.