91.
Zij zucht op nieuw en slaat den blik ter aarde,
En snikt in 't eind, als deed elk woord haar pijn:
‘O schaamte! gij, die ik zoo slecht bewaarde,
Ontijdig thands en nutteloos, verdwijn!
De vuurgloed, dien ge op dit gelaat vergaârde',
Kan hij een floers voor 't vuur der minne zijn?
O, hadt ge mij voordezen nooit verlaten!
Maar nú, wat zoudt ge een arme vluchtling baten?’