116.
De Heiden slaat, maar wild en onbesuisd;
De Ridder slaat niet enkel, maar slaat wonden.
Reeds is het schild des Saraceens vergruisd,
Zijn helm gescheurd, zijn reuzenkracht verzwonden.
Armide ziet zijn bloed, dat rookt en bruischt,
Armide ziet heur held verminkt, geschonden,
En de andren zóó door raadloze angst ontzind,
Dat slechts een zwakke draad hen samen bindt.