59.
De Siloa, wier golven zachtkens vloeiden,
Gunt naauwlijks, waar zij voortkruipt door den grond,
Een druppel aan de lippen der verschroeiden,
Wier dorst er eens de rijkste laafnis vond.
Ach, 't zou hun gloed niet koelen, al besproeiden
De wateren der Po hun dorren mond,
Al goot de Nijl, gesteigerd uit zijn zoomen,
De kruiken leêg van al zijn zeven stroomen!