128.
En hij: ‘Mij dunkt, wij moesten, als het daagt,
Den toren niet, naar 't eerste plan, bespringen,
Maar, eer hij onverhoeds een uitval waagt,
Den vijand met een sterk kordon omringen.
Ons heir terwijl, dat rust na d' arbeid vraagt,
Gaârt krachten voor de aanstaande groote dingen.
Beslis dan zelf wat oirbaar is en goed:
Verbeiden, of - Egypten te gemoet!