116.
Vele andren nog doorvorschen, hier en daar,
Heel d' omtrek, min gelukkig dan hun vrinden.
Die vlechten nu hunne armen door elkaâr,
Ten draagstoel voor de last des welbeminden.
Maar Tankred spreekt: ‘Hoe nu, getrouwe schaar,
Zal wolf en raaf roemruchte' Argant verslinden?
Wee mijner, als ik zóó mijn plicht verried!
Neen, 'k roof den held zijn graf, zijn glorie niet!