54.
Hier is nog nooit een neveltje' opgedoemd,
Hier kan 't klimaat verkleumen noch verbranden;
Nooit welfde zich een hemel, hoe beroemd,
Zoo wolkloos om zoo heerlijke waranden.
Hij geeft den velden gras, het gras gebloemt',
Den bloemen geur, den boomen loofgyrlanden.
Een prachtig slot aan d' oever van het meir
Ziet blinkende op gebergte en zeën neêr.