34.
Gelijk, wanneer de barre Poolwoestijn
Heur winters zendt, die 't al met ijs bekleeden,
Een bonte rij den dichtbevrozen Rijn
Doorijlt, gewiekt zijn spiegel opgegleden:
Zoo snelt daar ook op 't vloeiend kristallijn
De grijzaard aan met statelijke schreden:
Zoo nadert hij de plek, waar 't Tweetal staat,
En spreekt hen toe met vriendelijk gelaat: