69.
Zij ijlt niet naar Damaskus, 't Rijk der Vaadren,
Niet naar heur slot, dat oprijst uit het meir;
Maar met den gloed der ijverzucht in de aadren;
Van minne krank en schaamrood evenzeer,
Zoekt zij een zee, waar nimmer schepen naadren,
En daalt er op een eenzame' oever neêr:
Daar druischt geen stad, daar woelt geen bonte haven:
Daar kan zij zich in Liefdes schoot begraven!