69.
De steenen ploffen neêr als donderkloten,
De wapenen vergruizend met de leên:
Wien ze in hun reuzenvaart omverre stoten,
Die zijgt tot een verminkten romp inéén.
De pijlen, in het lillend vleesch geschoten,
Gaan snerpend door gebeente en peezen heen,
En laten in de diepe wond hun zwadder
Gelijk de beet van een vergiftigde' adder.