11.
't Kán niet vergaan, zoolang nog zulke Helden
't Verdedigen met eigen hartebloed!
Maar, Tweetal, gij! hoe zal ik u vergelden?
Wat lof, wat gift neêrstrooien aan uw voet?
De glorie zal alom uw lof vermelden,
Tot waar de zon des waerelds grenzen groet;
De daad-zelve is uw heerlijkst loon - daarneven
Zij u de helft mijns diadeems gegeven!”’