44.
Maar hoe, zoo 't eens bleef toeven? Doch gesteld,
Uw hoop en zijn belofte kon niet falen,
Zijn wij daarom onttogen aan 't geweld?
Zal ons de zon der overwinning stralen?
Ons wacht, o Vorst! de worstling met dien Held,
Die Hoofden, en dat Heir, wier zegepralen
Met bloedig schrift in 't hart gegriffeld staan
Van Syriër, Araab, Turk, Perziaan!