33.
Maar 't andwoord luidt: - ‘Wij, die Gods strijdren heeten,
Verliezen moed en wapens niet zoo snel!
Een ander zal mijn neêrlaag doen vergeten:
Ik wil de wraak, of - zeg het licht vaarwel! ...’
De Heiden brult, van razernij bezeten,
Vlamoogend als een Furië der hel:
- ‘Welaan, daar gij mijn goedheid durft verachten,
Zoo proef dan al de zwaarte mijner krachten! ...’