82.
Hem draagt een ros, dat, in zijn zilverglans,
De sneeuw beschaamt der glinstrende Alpenspitsen:
Het huppelt voort, als in gewiekten dans,
Veel sneller dan orkaan en bliksemflitsen.
Des jonglings vuist omklemt een korte lans,
Het kromzwaard dekt zijn heup; en gouden lissen
En franjewerk versieren 't inkarnaat
En purper van zijn zijden prachtgewaad.