68.
Wee 't slanggefleem der bleeke Jaloezij,
Die al te gaarne U de eerkroon af zag rukken!
En - schoon zij 't merk van groote zielen zij -
Wee de Eerzucht, die, wijl ze alles zag gelukken,
Steeds voorwaards wil, de starren-zelfs voorbij,
Om alles aan haar voeten te doen bukken!
Wee d' Overmoed, die 't engelengelaat
Des Vredes meer dan d' Oorlogsduivel haat!