81.
‘Gij hebt, Heraut! U van uw last gekweten,
Met lof en blaam uw reden geschakeerd!
Ik bied uw Vorst, zoo hij mijn vriend wil heeten,
Mijn vriendschap aan, en eere die mij eert.
En wat betreft die onverzoenbre veeten
Der Heidenen, die gij mij profeteert,
'k Wil gaarne, en mede uit naam van mijn getrouwen,
Kort, als ik pleeg, mijn denkbeeld U ontvouwen.