9.
‘Gij, Goden, die ver boven 't zonnegloren
Moest schittren op den gouden heerschersstoel!
Gij, die met mij uit 's hemels blijde kooren
Geslingerd werdt in dezen gruwelpoel!
Gij kent te wel Gods ingeroesten toren,
Zijn tyrannij en ons verheven doel!
Hij dwingt de starren die Zijn throon omringen,
En vonnisde ons als schendige Oproerlingen!