31.
Hij houdt den blik op 't burchtkasteel geslagen,
Maar volgt nochtans zijn valschen leidsman niet:
Vóór de ophaalbrug doet hij zijn ros vertragen,
Ofschoon zij hem een open toegang biedt -
Waaruit nu fluks een ridder op komt dagen,
Wiens wilde blik een vlam van woede schiet,
Wiens rechterhand het bloote zwaard doet blinken,
Wiens woorden als een schorre donder klinken: