42.
Een landlijk maal, een ruwe legerspond',
Verkwikten hier mijn uitgeputte leden.
Maar naauwlijks was de blonde morgenstond
Zijn stralend pad in 't Oosten opgetreden,
Of ijlings rees ik uit den slaap, en vond
De kluizenaars verdiept in hun gebeden;
'k Bad meê; nam afscheid; en met vlugge schreên
Bewandelde ik den langen weg hierheen!’ -