57.
De nacht terwijl bedekt de onmeetbre verten
Des hemels met heur glinstrend vleuglenpaar.
De sluimring, troost der zielen, zalf der smarten,
Vlijt zorgloos de vermoeiden bij elkaâr.
Gij enkel, Argillan! in 't diepst des harten
Getroffen, gaat van groote dingen zwaâr;
Stormachtig voelt ge uw sombren geest bewogen,
En immer vliedt de donzen slaap uwe oogen!