9.
De Vorst herneemt: - ‘O Jongling! schoon de jaren
Mij drukken, toch ben ik de greep van 't zwaard
Zóó niet ontwend, en is mij 't bloed in de aâren
Niet zóó geheel van de oude deugd ontaard,
Dat ik, als ooit de rampen en gevaren
Me omcingelden, wier schrikbeeld U vervaart,
Den heldendood lafhartig zou ontwijken,
Om zonder eer en weerloos te bezwijken!