26.
Dáár stond hij eens in 't midden van den kring,
En krenkte op nieuw voor ieders luistrende ooren
Zijn vijand met een tong, die dieper ging
Dan de angelspits der bazilisk kan boren.
Maar Reinout hoort de vuige lastering,
En geeft een kreet van onbedwingbren toren:
Hij roept: ‘Gij liegt!’ en slingert onbesuisd
Het zwaard omhoog in saamgenepen vuist.