105.
't Staal klinkt op 't staal; en schild en beuklaar klettert;
Lans en rapier kraakt, splintert wijd en zijd.
Hier stort een ros, dat in zijn val verplettert,
Ginds draaft er een, van 's ruiters last bevrijd.
Hier krimpt een held, die met de tanden knettert
En vloekend sneeft: een ander kermt en krijt.
Wild is de strijd! Geen vóór- of achterhoede!
't Wart al dooréén, en altijd klimt de woede.