19.
Maar Swen, wáár hij genaakt, doet allen wijken:
Men kent hem aan zijn arm, die overal
't Zwaard als een rosse vuurstraal neêr doet strijken,
Dwars door den nacht. Onwrikbaar staat hij pal:
Een stroom van bloed, een hooge berg van lijken,
Verstrekken hem tot gracht en vestingwal.
De blikken, die zijn vreeslijke oogen slingren,
Zijn flitsen, en de Dood is in zijn vingren!