14.
Zijn schoudren siert een machtig vleuglenpaar,
Zoo wit als sneeuw, gezoomd met gouden pluimen:
Hij slaat het breed en blinkend uit elkaâr,
En vliegt daarheen door alle sterrenruimen,
Klieft wind en wolk gelijk een adelaar,
Tot de Aarde blaauwt, haar oceanen schuimen,
De Libanon uit d' ijlen nevel daagt,
En hij een wijl den vleugelslag vertraagt.