33.
De mutsert walmt en rosse vonken jagen
Reeds knettrende op, waar de ijzren blaasbalg gaat:
Daar barst hij los in hartverscheurend klagen,
En spreekt haar aan, die zoo nabij hem staat:
‘Zoo is dan dit de band, die onze dagen
Verbinden zou in liefdes dageraad?
Zoo is dan dit de vuurgloed, die ons beide
Doorblaken moest, gelijk mijn hoop voorzeide?