29.
Onzeker of geen droom mij had bedrogen,
Staar ik verstomd mijn twee verlossers aan.
Toen de een: “Hoe dus door Ongeloof bewogen?
O zwakke ziel, wat laat ge u nederslaan?
Geen spooksels, knechten Gods staan voor uwe oogen,
Die de ijdelheid van 's waerelds wind en waan,
Haar trotsche ellend en zondige genuchten,
In de eenzaamheid aan Jezus' voet ontvluchten!