60.
Zóó, zegt hij, moet meêdogenloos de hoon
Gewroken, waar zijn Staten van weêrklinken,
Opdat de glans van zijn geslacht en throon,
Door mij bezwalkt, gelijk van ouds zou blinken!
Toch is het niets dan vreeze, dat de kroon,
Die mij behoort, zijn schedel zou ontzinken.
Hij weet, dat slechts de puinhoop van mijn val
De grondslag van zijn zetel worden zal.